De volgende ochtend scheen de zon in mijn ogen. Ik deed langzaam mijn ogen open en ging op het randje van mijn bed zitten.
"Hm, wat was er gebeurd," dacht ik. Toen kreeg ik weer een klap in mijn gezicht. Ik herinnerde me weer alles. Ik stond maar op en ging naar school, ook al had ik geen zin. Ik moest toch ooit naar school gaan.
Eenmaal op school was ik erg stil. Ik zei niks en staarde voor me uit met mijn gedachtes ver weg. Haruto was er niet, en ik was bang, bang dat wat er gisteren was gezegd, de waarheid zou zijn. Kasumi snapte niet waarom ik zo deed, ze probeerde me op te vrolijken. Maar ik wist dat er maar één persoon was die dat kon doen. Ik had zelf niet eens door wie dat nou was. Uiteindelijk moest ik toch nog naar karate aan het einde van de dag.
Ik liep vanuit de kleedkamers naar de zaal toe. Hideki zou niet komen, zei hij gisteren nog. Hij moest naar de tandarts. Opeens liep er een jongen naar me toe.
"Jij bent toch Natsuki?" Vroeg de jongen.
"Ehm, ja, hoezo?" Ik aarzelde.
"Mooi zo! Iemand zocht je! Diegene zei dat het heel dringend was."
"Wie was het?"
"Ik weet niet hoe hij heet maar hij wou dat jij naar de gang kwam."
"Oké, ik ga wel even."
"Hij?" Dacht ik terwijl ik naar de gang liep. "Welke jongen zou mij nou heel dringend nodig hebben?" Ik liep de kleedkamers uit en ging naar rechts.
"Natsuki!" Ik hoorde mijn naam door iemand geroepen worden. Ik wist wiens stem het was. Ik wist het, ik wou het niet geloven maar ik wist het. Ik draaide me langzaam om.
"Ha…. Ha…. Haruto! Was jij het? Die mij wou spreken?"
"Ja. Ik was het."
"Ga… Ga je echt weg van school?"
"Wat? Nee natuurlijk niet! Mijn ouders wilden het wel, daardoor was ik er gisteren niet. Ik moest lang met ze praten. Maar ik ga niet weg."
"Gelukkig. Ik was zo bang dat je weg ging." Een traan rolde over mijn wang heen.
"Rustig maar," fluisterde hij, en hij legde zijn hand op mijn wang, "ik ga echt niet weg." Hij veegde mijn traan weg met zijn vinger. "Natsuki, ik vind je leuk, ik ga niet zonder jou ooit weg."
"Je meent het niet, je kan het niet menen. Je zou me nooit leuk kunnen vinden." Ik legde mijn hand op zijn hand, die hij nog steeds bij mijn gezicht had. Ik pakte zijn hand vast. Ik nam zijn hand van mijn gezicht af en legde mijn andere hand op zijn hand. "Je zou me nooit echt leuk vinden. Ik wil het geloven, maar ik durf niet. Ik wil niet gekwetst worden. Als je me echt leuk vind, zeg het oprecht, zeg het en zoen me, zoen me oprecht. Dan geloof ik je pas. Tot dan zal ik wachten. Misschien wacht ik op niets, misschien komt er alleen maar verdriet." Ik liet zijn hand los. En draaide me om. "Ik zal wachten." En ik liep weg.
"Natsuki!" Haruto riep keihard mijn naam. Hij rende naar me toe en pakte me pols. Ik draaide me om, en hij kon mijn tranen zien. Ik wou niet dat hij ze zag, maar het was te laat.